Logo van de Helsinki Citizens Assembly

Inleiding
Gedurende de Jaren 1990 – 1995 was de ‘Helsinki Citizens’ Assembly’ actief in Europa en zelfs in delen van Azië. Wat Europa betreft, was de ‘Helsinki Citizens’ Assembly’ met name actief tijdens de Balkanoorlogen. Na 1995 liepen haar activiteiten snel terug, en kwamen in 2000 tot stilstand.

Wat haar naam betreft, roepen de woorden ‘Citizens’ Assembly’ geen vragen op: vertaald is dit ‘vereniging van burgers’. Het eerste woord ‘Helsinki’ verdient wel uitleg. Met dit woord wordt gerefereerd naar de Helsinki Akkoorden die in 1975 waren afgesloten met de West- en Oost-Europese landen. Hierdoor is het ‘Helsinki-proces’ van politieke samenwerking tot internationale ontspanning tussen deze landen, dus ‘door het IJzeren Gordijn heen’, voortgekomen. Na de val de Berlijnse muur in 1989 zagen vredesactivisten een visioen van een verenigd Europa en maakten daarvoor gebruik van de term ‘Helsinki proces’ voor hun agenda. Omdat echter direct daarna de oorlogen op de Balkan losbarstten, zagen de oprichters van de ‘Helsinki Citizens’ Assembly’ het als hun missie om de vrede in de Balkan te bevorderen.

Obecní Dům, vertaald Gemeente Huis. In dit prachtige Jugendstill-gebouw werd in 1990 de Helsinki Cityzens Assembly opgericht. Het gebouw werd gebouwd in de jaren 1905-1911. Het ligt direct aan het Náměstí Republiky (Plein van de Republiek). In dit gebouw bevindt zich ook een mooie concertzaal waar regelmatig concerten worden gegeven.

De oprichting van de ‘Helsinki Citizens’ Assembly’
In juni 1988 was er in het communistische Tsjecho-Slowakije sprake van om een ‘vredesparlement’ op te richten. Enkele mensen van de mensenrechtenbeweging Charta 77 opperden dit idee. Maar al snel was er het besef dat dit een onhaalbare zaak was in een land als Tsjecho-Slowakije met de alom tegenwoordige geheime politie. Zo’n ‘vredesparlement’ zou nooit worden getolereerd door het regime.

Ruim een jaar later, in november 1989, viel het communistische regime in Tsjecho-Slowakije. De Westerse vredesbewegingen en verschillende mensen uit het Oostblok wilden het idee van zo’n vredesparlement toch realiseren. Dit leidde in 1990 tot de oprichting van de ‘Helsinki Citizens’ Assembly’ (HCA). Het basisdocument van de HCA was het Praags Appel van 1990. Dit eindigde als volgt:

“Het pan-Europese proces voor integratie moet door het grote publiek worden ondersteund. Het Helsinki-proces is te belangrijk om alleen aan de inspanningen van regeringen en politici, die door hun eigen nationale prioriteiten gebonden zijn, te worden overgelaten. Het moet voortdurend worden uitgebreid en versterkt door de betrokkenheid van de burgers uit alle ondertekenende landen, waaronder natuurlijk de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Canada.

Het overwinnen van de tweedeling van Europa is de opgave, met name, van het maatschappelijk middenveld, van de burgers over de landsgrenzen heen samen in zelf-georganiseerde verenigingen, bewegingen, instellingen, initiatieven en clubs. Het betekent de oprichting van nieuwe sociale relaties, nieuwe vormen van dialoog, waardoor burgers met regeringen en met elkaar kunnen onderhandelen, politieke instellingen onder druk zetten, en, inderdaad, het oplossen van veel problemen zonder de rechtstreekse betrokkenheid van de regeringen. Het betekent de uitbreiding van de publieke (dat is, niet-gouvernementele, niet-private) terreinen van het leven en het stimuleren van het opgangkomen van een Europese publieke opinie. De betrokkenheid van politici om diplomatie te openen moet verder gaan dan het voorportaal van de hoge politiek. Het is niet gewoonweg een kwestie van het informeren van journalisten of zelfs niet-gouvernementele organisaties. Het Helsinki-proces van bovenaf moet worden aangevuld met een even belangrijk Helsinki-proces van onderaf. Laten we daarom een Helsinki Citizens’ Assembly oprichten!”

Uit de flyer van de HCA. Havel op de ‘voorpagina’ om te suggereren dat hij meer betrokken is bij de oprichting dan het houden van een openingstoespraak.

De openingssprekers van de oprichtingsvergadering
De oprichtingsvergadering werd gehouden in Praag op 19 – 20 oktober 1990 in het Obecní Dům (zie foto). De volgende gastsprekers hielden een openingstoespraak: Roshan Dhunjiboy (journalist en filmmaker uit Pakistan), Václav Havel (schrijver en president van Tsjecho-Slowakije; zijn toespraak vindt u hier), Oskar Lafontaine (sociaal-democratisch minister president van Saarland, Duitsland, in later lid van de neo-communistische partij Die Linke) en Galina Starovojtova (Armeens lid van het parlement van de Sovjet-Unie, in 1998 doodgeschoten bij een vermoedelijke politieke moord ). De tweede spreker, Oskar Lafontaine was controversieel. Hij had een goede verhouding met Erich Honnecker, die leider was de voorlaatste staatsraadvoorzitter van communistische Oost-Duitsland (DDR).

Open brief waarin geprotesteerd werd tegen de openingstoespraak van Oskar Lafontaine. Bron: IISG

Problemen en onduidelijkheden
Er circuleerde een Open Brief onder de aanwezigen waarin protest werd aangetekend dat Lafontaine een openingstoespraak zou gaan houden. Dit protest liet zien dat er forse meningsverschillen leefden. Dit protest heeft echter geen effect gehad. Verder wordt er nogal eens ten onrechte gesteld, dat Václav Havel de vergadering heeft voorgezeten (bijvoorbeeld Wikipedia). Het programma van de vergadering maakt duidelijk dat hij ‘slechts’ een openingstoespraak heeft gehouden.

De HCA was bedoeld om als een permanent forum te functioneren waarbinnen maatschappelijke groeperingen, maar ook individuen en instellingen met verschillende standpunten, hun mening konden geven. In de praktijk bleek dit niet zo te functioneren. Zij, die de standpunten van de organisatoren niet onderschreven werden genegeerd. Mensen die bijvoorbeeld het standpunt hadden dat de beste garantie voor de vrede en veiligheid een instelling als de NAVO zou zijn, kregen geen poot aan de grond.

Dit overkwam Miloslav Bednař.Hij was degene die eerder (onder de schuilnaam Racek) met professor Edward Thompson, de belangrijke auteur van het END-Appel, het debat was aangegaan. Voor alle duidelijkheid: het END-Appel werd in 1984 gelanceerd en leidde tot het debat over ontwapening, mensenrechten en de totalitaire maatschappij. Dit debat is de hele wereld overgegaan, nadat het werd gepubliceerd in de New Statesman. Miloslav Bednař was degene die tijdens de oprichtingsvergadering van de HCA het standpunt uitdroeg dat de NAVO de beste garantie gaf voor vrede en veiligheid. Hij werd uitgelachen om zijn standpunt.

De vier verklaringen
In de discussie over vrede en veiligheid circuleerden meerdere verklaringen die vaak door elkaar worden gehaald maar goed onderscheiden moeten worden. Daarom hier een overzicht.

1- Op 1 januari 1977 werd de eerste verklaring van Charta 77 uitgebracht. Met deze verklaring riep Charta 77 haar overheid op, om zich aan hun eigen wetten te houden. Verder verklaarde Charta 77 dat iedereen die zich met Charta 77 zal verbinden, medewerkers van Charta 77 zullen zijn. In feite een oproep, om de verklaring ook te ondertekenen.

2- Op 28 april 1980 werd het END-Appel gelanceerd. Dit appel eindigde met de oproep om steun te betuigen aan het Appel door het te ondertekenen  vóór 6 augustus 1980. Een symbolische datum: het was de dag dat 35 jaar eerder Hiroshima met een atoombom werd gebombardeerd.

3- Op 11 maart 1985 het Appel 1985 van Charta 77. Met dit appel roept Charta 77 op om bijdragen te leveren ten behoeve van de END-conventie die enkele maanden later in Amsterdam zal worden gehouden. Bij dit appel verklaring zat een bijlage met een essay over de toekomst van Europa (zoals de hereniging van Duitsland) van vooraanstaande chartisten onder wie Václav Havel en Václav Benda. Charta vraagt om te reageren op dit essay. Weliswaar is verwarrend, dat Charta dit essay ook ‘Praags Appel’ noemt. Na lezing van dit essay wordt duidelijk, dat dit eigenlijk geen appel is. Het is een standpunt. De laatste zin van het essay luidt: ‘We geloven, dat ons standpunt Uw begrip zal ontmoeten. Wij wensen u succes in uw discussies.’

Praags Appel van Charta 77. Boven het door de drie woordvoerders getekende document staat Praags Appel (Pražská výzva). Dit staat ook boven het document dat er onder staat, dat ondertekend is door chartisten en niet-chartisten. Dit document heeft niet het karakter van een appel (oproep). Het is verwarrend dat boven beide documenten de woorden Pražská výzva staat.

Voor de duidelijkheid hier de door de drie woordvoerders ondertekende Charta verklaring.
‘Wij publiceren hierbij het Praags Appel, in de vorm van een brief van een groep ondertekenaars van Charta ’77 die verschillende denkstromingen vertegenwoordigt, gericht aan de vredesconferentie die deze zomer in Amsterdam zal worden gehouden. We leggen dit voorstel van een gemeenschappelijk standpunt als inleiding ter discussie voor aan de ondertekenaars van Charta ’77 en aan alle burgers en instellingen die niet onverschillig staan ten opzichte van de vraag hoe wij gezamenlijk verder zullen leven op dit continent. Wij verwelkomen elke instemming of kritiek van zowel individuen als groepen uit het buitenland en met name van dit tot dusver nog steeds verdeelde Europa die dit voorstel oproept. Wij vertrouwen erop, dat dit debat suggesties en voorstellen zal opleveren, die bij zullen dragen tot het overwinnen van barrières, die de weg naar een verenigd democratisch en soeverein Europa, een Europa van vrije burgers en naties, versperren. Alleen een dergelijk Europa kan een effectieve partner zijn in het scheppen van vrede en het te boven komen van de groeiende crisis in de huidige wereld.
11 maart 1985
Jiří Dienstbier, Eva Kantůrková, Petruška Šustrová – woordvoerders van Charta ’77.’

4- Op februari 1990 werd het HCA-Appel gelanceerd. In dit appel werd opgeroepen om  een Helsinki Citizens’ Assembly op te richten.

In dit rijtje van verklaringen en appels, wordt duidelijk dat het Appel van Charta 77 in 1985 een buitenbeentje is als we die vergelijken met de andere drie. Dit Appel niet uitgegaan van Charta 77, maar van enkele chartisten (en niet chartisten). Het was een ‘discussiestuk’ om tot een debat te komen. Die is er dan ook geweest.

Uit de flyer van de Helsinki Citizens Assembly. In dit deel wordt de geschiedenis verteld vanuit het oogpunt van de oprichters.

De HCA suggereerde dat het appel van de HCA gebaseerd was op het appel van Charta 77.
De HCA pretendeerde een echte ‘civil society’ organisatie te zijn. Daarbij wekte men de schijn op in de geest van Charta 77 te handelen. De HCA kon zodoende profiteren van het moreel krediet van Charta 77. Bijvoorbeeld het Praags Appel 1990 (dat overigens al maanden eerder in februari niet in Praag, maar in Boedapest was gelanceerd) zou een verlengde zijn van het Praags Appel 1985 dat Charta 77 in 1985 naar buiten had gebracht.

 Dit alles is een pertinente onwaarheid. Hiervoor hebben we al duidelijk gemaakt dat de appels niet te vergelijken zijn. Bovendien: de woordvoerders van Charta 77 zijn in 1990 geïnformeerd noch uitgenodigd voor de oprichtingsvergadering, terwijl Charta 77 op dat moment nog functioneerde (zij bleef tot 1992 actief). De oprichting van de HCA heeft ook nooit op de agenda van de woordvoerders van Charta 77 gestaan.

Charta 77 en de HCA verschilden totaal van elkaar
Het verschil tussen Charta 77 en de HCA is ook als volgt te typeren. Charta 77 stond pal voor de klassieke mensenrechten, zoals vrijheid van meningsuiting, geen censuur, vrijheid van reizen. Dit gaf een eensgezindheid met chartisten van verschillende politieke overtuigingen, links en rechts. Toen deze rechten waren gerealiseerd door de val van het communisme, ging de HCA doelen nastreven die postmodern waren geformuleerd. In de slotrede van de oprichtingsvergadering stelde Mary Kaldor het als volgt: ‘Waar gaan wij naartoe? Ik wil benadrukken, dat het van ons afhangt waar we naar toegaan. Wij zijn de HCA. Of wij wel of niet een permanente en significante organisatie kunnen vestigen om de democratie in Europa te versterken, hangt af wat ieder van ons nu doet. Wij zijn de enigen die dit zullen doen.’ . Zo koos de HCA voor, dialoog, samenwerking, ontwapening, multiculturele samenleving (in voormalig Joegoslavië’) enzovoort. Er waren dan ook chartisten (zoals Pavel Bratinka, Jan Dus) wiens namen eerst op de deelnemerslijst stonden voor de oprichtingsvergadering, maar die, toen zij kennis hadden genomen van het programma, afzagen van deelname.

De HCA eenzijdig
De HCA was een ‘civil society’ die linkse programma’s wilde realiseren. Het waren linkse chartisten onder wie Jaroslav Šabata, (in zijn geval mag de vraag worden gesteld of hij met recht actief was binnen de HCA. Hij was minister, dus politiek actief ‘van boven af‘) en Martin Palous die met andere mensen uit de vredesbewegingen actief waren bij de END-conventies, die de HCA meehielpen oprichten.

De HCA en Nederland
De HCA groeide in korte tijd tot een netwerk met HCA-afdelingen in geheel Europa, met als hoofdkantoren in Praag en Den Haag. De Nederlandse kerkelijke vredesbeweging het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV, heden te dage Pax) had daarin grote invloed; het Haagse hoofdkantoor van de HCA was gevestigd op het adres van het IKV. Mensen van het IKV zaten ook in het bestuur van de HCA. De bekendste was de algemene secretaris van het IKV, Mient Jan Faber.

De HCA en de Balkanoorlogen
De HCA werd actief in de Balkan, dat toen verscheurd werd door etnische oorlogen. De HCA streefde naar het bij elkaar brengen van mensen van verschillende etnische oorsprong. Voor dat streven werden echter uitsluitend vreedzame middelen voorgesteld, om doelen op de lange termijn te bereiken, zoals ‘het bevorderen van democratie’, door het leveren van computers en faxapparaten aan plaatselijke vredesgroepen, het organiseren van conferenties en een vredeskaravaan (van Triëst naar Skopje). Hierbij werd volledig voorbijgegaan aan het hevige, grootschalige en nietsontziende geweld dat tezelfdertijd sinds april 1991 onophoudelijk voort raasde, in het kader van wat in feite een aanvalsoorlog was van het zwaarbewapende Joegoslavische leger tegen niet-Servische burgers. Dit werd planmatig georkestreerd vanuit Servië door het regime van Servische extreem-nationalisten, en diende het programma tot het ‘etnisch zuiveren’ en vervolgens annexeren van grote gebieden van voormalig Joegoslavië die het hadden gewaagd zich onafhankelijk te verklaren: eerst Slovenië en Kroatië, daarna Bosnië-Herzegovina en enkele jaren later Kosovo. De initiatieven van de HCA waren hiervoor uiteraard volstrekt irrelevant, en waren louter ingegeven door een volkomen onrealistische, postmodern geïnspireerde vredesideologie. De bezwaren tegen deze visie werden helder uiteengezet door de Joegoslaaf -van Sloveense komaf- Tomaž Mastnak in 1992):

Tomaz Mastnak, ‘The Gaze of Fascism’
(HCA Nieuwsbrief nr.2, sep. 1991, p.10-11) “De huidige situatie is zo transparant mogelijk omschreven. Servië en de overblijfselen van het Joegoslavische federale leger vechten een oorlog uit tegen Kroatië. Dit is geenszins een oorlog voor mensenrechten, rechten van minderheden of lokale autonomie. Dit is een oorlog om grondgebied. De oorlog vindt plaats op Kroatisch grondgebied, om Kroatisch grondgebied. Kroatië verdedigt zijn grondgebied. Het doel van Servië is een “Groot-Servië”, een staat die alle “bodem” zou omvatten waar de Serviërs vandaag leven of in het verleden hebben geleefd. Het Joegoslavische leger assisteert Servië en voert Milosevic’s plannen uit, deels omdat ze deze steunen en omdat een “Groot-Servië” een staat zou vormen die sterk genoeg is om dit leger te behouden dat gehaat wordt door alle andere Joegoslavische volkeren.

Dit is een extreem vuile en destructieve oorlog. Een aantal Kroatische dorpen zijn met de grond gelijk gemaakt, dorpelingen zijn afgeslacht en zelfs lijken zijn verminkt. Kroatische steden worden elke dag gebombardeerd. Ziekenhuizen en kerken lijken gewilde doelwitten te zijn. De enige vergelijking met dit gedrag van het Joegoslavische leger in Kroatië is dat van Franco’s leger tijdens de Spaanse Burgeroorlog
(..) Als de oorlog in Joegoslavië moet worden gestopt, moet Servië worden teruggedrongen; het Joegoslavische leger moet niet alleen terugkeren naar zijn kazerne, maar zich terugtrekken uit Kroatië terwijl de interne Joegoslavische grenzen ongewijzigd blijven.
(..) Er is geen evenwicht tussen Servië en Kroatië in deze oorlog; ze hebben allesbehalve gelijke posities. Het veroordelen van al het geweld is daarom misleidend: het betekent partij kiezen voor de agressor. Kroatië is het slachtoffer van agressie en heeft dringend hulp nodig. Het ontkennen van het recht om zichzelf te verdedigen is cynisch en immoreel.
(..) de oorlog moet worden gestopt. Dit kan niet gebeuren zonder een politieke actie, maar het enige doel van deze actie zou het stoppen van de oorlog moeten zijn.
(..) Als er een fascistische staat bestaat in Joegoslavië, dan is het Servië met zijn duidelijke bloed-en-bodem-ideologie, zijn autoritaire regime, totale controle van de regerende partij over de media, de cultus van de leider en expansionistische, imperialistische politiek.”

 In reactie op het betoog van Mastnak zette M.J. Faber nog eens de ideeën van de HCA uiteen:

 M.J. Faber, ‘A dead end street’
(HCA Nieuwsbrief nr.3, feb. 1992, p.7,13) “Beweren dat de enige manier om de oorlog te stoppen is om Servië uit Kroatië te verdrijven impliceert dat de EG en de internationale gemeenschap Kroatië en Slovenië niet alleen zouden moeten erkennen, we zouden een bevrijdingsleger moeten sturen.
(..) Zou zo’n interventie de oorlog niet alleen maar verder verergeren?
(…) de vredesbeweging in het algemeen, en de Helsinki Citizens’ Assembly in het bijzonder hebben hun plaats en rol bepaald in dit conflict. We kozen ervoor om vast te houden aan onze basiswaarden, ongeacht de strijdende partijen. Hoe somber de huidige ontwikkelingen ook zijn, alleen een stap richting verzoening, verdraagzaamheid, vrede en gerechtigheid kan de toekomst openbreken. We moeten steun en solidariteit bieden waar deze neiging in Joegoslavië ook maar te vinden is.
(..) Wat we proberen te doen is mensen samenbrengen en hen samen te houden. Net zoals we deden toen Europa nog gescheiden was door het IJzeren Gordijn. Grenzen kunnen noodzakelijk zijn, zelfs nieuwe grenzen, maar ze moeten worden ontdaan van hun scheidende eigenschappen. Dat is de bedoeling van de HCA. Niet meer, niet minder.”

De realiteitsvreemde benadering van de HCA heeft niet bijgedragen tot de vrede op de Balkan. De vraag is eerder, of het niet contraproductief heeft gewerkt. Terwijl Faber dit schreef werd er in de Balkan op grote schaal gemoord met als dieptepunt de Servische massaslachting van meer dan 8.000 Bosniërs in 1995 in Srebrenica.

Logo van de Turkse Helsinki Citizens Assembly

Het einde van de HCA
Rond 1995 was de HCA over zijn hoogtepunt heen. Mede door het opdrogen van fondsen, was de club een noodlijdend bestaan beschoren. In 2000 werden alle activiteiten stopgezet. De organisatie is tot op de huidige dag nog steeds ingeschreven in de Tsjechische (variant van de) Kamer van Koophandel.

Vermeldenswaard is, dat er tot op de dag van vandaag toch nog enkele ‘HCA-filialen’ actief zijn in landen als Georgië, Armenië en Turkije.

 

De HCA Newsletter nummer 1 –(1991) vindt u hier
De HCA Newsletter nummer 2 –(1991) vindt u hier
De HCA Newsletter nummer 3 –(1992) vindt u hier